Terug naar overzicht



Liquidatiereserve: meer duidelijkheid over de werking

16/9/2015

De werking van de liquidatiereserve is niet altijd duidelijk.  De verwarring heeft meestal te maken met de liquidatiebonus op vroegere reserves die door het eerder al uitvoerig becommentarieerde artikel 537 WIB 92 werd ingevoerd.

Er moet dus nog een en ander worden verduidelijkt.

Enerzijds werd de liquidatiebonus van artikel 537 georganiseerd onder de vorm van een echte dividenduitkering waarvan de begunstigden om te kunnen profiteren van de roerende voorheffing van 10 % zich ertoe moesten verbinden hem onmiddellijk in te brengen voor een kapitaalsverhoging en hem daar minstens vier jaar te houden.

Anderzijds is de liquidatiereserve een effectief winstvoorbehoud en dus geen dividenduitkering. Ze bestaat erin de winst of een deel ervan te reserveren als vrijgestelde winst op het passief van de balans middels betaling door de vennootschap van een afzonderlijke en niet-aftrekbare bijdrage van 10 %. In geval van vereffening van de vennootschap kan deze reserve worden uitgekeerd aan de aandeelhouders zonder inhouding van de voorheffing in hun hoofde.

In het eerste geval is er dividenduitkering en in het andere aanwending voor de reserve.

Het komt erop neer dat in het geval van de liquidatiereserve het bedrag van de winst waaruit hij is samengesteld wordt afgehouden van de winst van het boekjaar.

Als de hele bruikbare winst niet voor die reserve wordt aangewend, blijft ze beschikbaar voor andere reserves of voor overgedragen winst, de toekenning van tantièmes of uitkering van dividenden.

Laten we veronderstellen dat de vennootschap het boekjaar afsluit een winst van 100.

Ze beslist om eerst 20 toe te kennen aan de bestuurders.

In dat geval is er nog slechts 80 beschikbaar voor de liquidatiereserve.

Laten we aannemen dat ze daarnaast een investeringsreserve wil aanleggen voor 30.

In dat geval bedraagt het bedrag dat kan worden gebruikt voor de investeringsreserve niet meer dan 50.

Men moet ook rekening houden met de impact van de afzonderlijke bijdrage van 10 %. Aangezien die verschuldigd is door de vennootschap, zal men voor de berekening van het bedrag dat a priori voor de liquidatiereserve zal worden gebruikt het bedrag van de afzonderlijke bijdrage moeten aftrekken.

Men moet het aan te wenden bedrag a priori delen door 1,10 om het bedrag voor de liquidatiereserve te kennen.

In de twee bovenstaande gevallen zal de liquidatiereserve respectievelijk 72,73 bedragen in het eerste geval en 45,45 in het tweede geval.

De betaling van de bijzondere bijdrage zal op het passief van de balans moeten worden geplaatst.

Nog een nuttige verduidelijking: de notionele interestaftrek.

Omdat de liquidatiereserve een reserve is, wordt hij in rekening gebracht voor de berekening van het kapitaal dat nodig voor de bepaling van de aftrek voor risicokapitaal.

Redactie:  ComptAccount, Groep Larcier, partner van WinBooks, Augustus  2015.

Lees meer nieuws op www.winbooks.be  en /www.comptaccount.be