Terug naar overzicht



Verwerping btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen: de fiscus moet bewijzen dat de levering niet heeft plaatsgevonden

29/5/2015
Gondrand Frères is een douane-expediteur en fiscaal vertegenwoordiger in Frankrijk van de Zwitserse onderneming Come & Com. Gondrand importeert goederen vrijgesteld van btw aangezien ze rechtstreeks het voorwerp zijn van een intracommunautaire levering aan de onderneming Point of Logistics in Groot-Brittanië.

De Franse douane oordeelde dat de voorwaarden voor de toepassing van de btw-vrijstelling op de invoer niet waren vervuld. Gondrand levert niet het bewijs dat de goederen wel degelijk waren ontvangen door Point of Logistics die vermeld stond op de vrachtbrieven en bovendien had ze geen werkelijke activiteiten. De Frans douane vroeg haar Britse collega's in het kader van wederzijdse administratieve dienstverlening om hulp, maar had na raadpleging van de registers geen enkel bewijs gevonden voor de overname van de handelswaren door Point of Logistics. Deze koper was slechts een logistiek platform wiens activiteit beperkt was tot het vervoeren en de doorzending van handelsgoederen.

De zaak kwam voor het Franse Hof van Cassatie dat oordeelde dat een btw-plichtige die beschikt over bewijsstukken voor de verzending van goederen bestemd voor een andere lidstaat en een identificatienummer van de koper verondersteld wordt een van btw vrijgestelde intracommunautaire levering te hebben gedaan, tenzij de administratie aantoont dat de levering in kwestie niet heeft plaatsgevonden. De Franse douane kon dat bewijs echter niet leveren aangezien aangetoond werd dat Gondrand handelsgoederen had geïmporteerd voor rekening van de Zwitserse onderneming die ze verkocht had aan een Spaanse onderneming ICC met een btw-identificatie en de belastingen voor de betrokken verzendingen voor haar rekening had genomen (Cass. fr., Chambre commerciale, 10 februari 2015, voorziening 12-28770)

Dit arrest is tekenend voor de ontwikkeling van de rechtspraak in Frankrijk, maar ook in andere Europese landen, in de richting van een grotere soepelheid in de toepassing van de voorwaarden voor het bewijs van intracommunautaire leveringen (zie ons onderzoek: "Exemption des livraisons intracommunautaires: comment prouver l'expédition vers un autre Etat membre?" Comptabilité et Fiscalité Pratique, 2014/5 p. 25). Gelukkig dat de hoogste gerechtelijke instanties een zekere afstand houden ten aanzien van een veel te strenge toepassing van de wetteksten, in de mate van het mogelijke ten minste. Sinds 1993 aanvaarden we immers schaapachtig een absurd systeem waarvan de principes dateren uit een tijdperk waarin de douane en de rijkswacht elke kar die de grens passeerde controleerden. Vandaag zijn er geen fysieke controles meer aan de binnengrenzen van de EU (zelfs niet aan de buitengrenzen, althans niet voor de meeste handelsgoederen). Heel het juridische en administratieve systeem van controle van intracommunautaire leveringen van handelsgoederen berust op de fictie van de mogelijkheid van een toezicht op de fysieke beweging die sinds geruime tijd onmogelijk uit te voeren is door de belastingautoriteiten. Meer nog, welke ambtenaar of wie binnen de ondernemingen die belast is met het toezicht op de intracommunautaire leveringen zal nooit in staat zijn het bewijs te leveren dat de vereiste van een fysiek toezicht van de verzending van handelsgoederen de voorbije 25 jaar toegelaten heeft om fraude te voorkomen? Het is geen slecht idee om de Europese Commissie de vraag publiekelijk te laten stellen, ook al ligt de controlecapaciteit aan de basis van elk fiscaal systeem ...