Terug naar overzicht



Kosteloos of tegen een symbolische waarde aandelen of onroerende goederen verwerven: de administratieve stelling valt

3/4/2014

Een Belgische vennootschap verkoopt aan een andere Belgische vennootschap aandelen tegen een symbolische waarde of ziet zonder compensatie ten gunste van die andere vennootschap af van zijn recht van opstal.

Het abnormaal of goedgunstig voordeel dat de eerste vennootschap toekende aan de tweede kan door de belastingadministratie in toepassing van artikel 26 uit het wetboek van inkomstenbelastingen (WIB) niet worden belast. Deze bepaling is immers niet van toepassing tussen twee Belgische vennootschappen (PV, nr. 147 van 26 april 1990, Bull. contr., 1990 nr. 700, p. 3256).

De administratie had evenwel een alternatieve manier gevonden om het voordeel te belasten in hoofde van de begunstigde vennootschap door een beroep te doen op het boekhoudrecht.

Die voorziet dat de elementen van het actief op de balans worden geboekt tegen hun aanschaffingswaarde (artikel 35 kb tot uitvoering van het wetb. venn.).

In zijn advies 126/17 omtrent de bepaling van de aanschaffingswaarde van activa die kosteloos of onder bezwarende titel zijn verkregen, had de Commissie Boekhoudkundige Normen (CBN) aangegeven dat de aanschaffingswaarde van een actief dat onder bezwarende titel was verkregen overeenstemt met de prijs die de partijen onderling waren overeengekomen.

Voor kosteloze verwerving, zonder aanschaffingsprijs, moest men volgens dit advies een resultaat boeken tegen de ‘correcte' waarde van het verworven goed, conform het beginsel van het ‘getrouw beeld'.

De CBN pleitte voor eenzelfde benadering voor activa die waren verworven bij transacties met een aanzienlijke ongelijkheid in de waarde van wederkerige prestaties en de wil van een van de partijen om de andere te bevoordelen (gedeeltelijk kosteloze verwerving).

Op grond van dat advies had de belastingadministratie een theorie ontwikkelt volgens dewelke in geval van een kosteloze overdracht van activa of tegen een symbolische waarde het verschil tussen de voor die activa betaalde prijs en de werkelijke waarde een belastbare winst vormt.

Ze haalde in een aantal gevallen gelijk voor de rechter. Men herinnert zich nog de beruchte zaak rond de “Artwork Systems Group” (rechtb. Gent, 14 november 2002, R.G. nr. 01/1261/A of recenter rechtb. Brussel, 27 oktober 2010, R.G. nr. 2004/4215_2005/163/A). In de meeste gevallen gaf de rechtspraak haar ongelijk (in het bijzonder, Brussel, 29 oktober 2008 R.G. nr. 2006/AR/1627; Brussel, 31 maart 2010, R.G.: 2008/AR/2060; rechtb. Namen, 17 maart 2011, R.G. nr. 10/262/A; rechtb. Leuven, 11 september 2009, R.G. nr. 06/611/A).

Het Hof van Cassatie stelde ten slotte een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie van de EU (EHvJ) over de manier waarop men artikel 2, 3°, 4° en 5° vierde richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende jaarrekeningen van bepaalde ondernemingsvormen (waarin onder meer ook het beginsel van het getrouw beeld wordt aangehaald) moet interpreteren.

Het Hof van Cassatie vraagt zich af of dit artikel "aldus moet worden uitgelegd dat het niet enkel bepaalt dat in de toelichting bij de jaarrekening aanvullende inlichtingen dienen te worden verstrekt, maar dat het – wanneer de aanschaffingsprijs kennelijk niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de betrokken goederen, zodat een vertekend beeld wordt gegeven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming – ook gebiedt dat wordt afgeweken van het beginsel dat de actiefbestanddelen tegen hun aanschaffingsprijs in de boekhouding worden opgenomen en de verplichting oplegt om deze onmiddellijk tegen de doorverkoopwaarde te boeken indien laatstgenoemde waarde blijkt overeen te stemmen met de werkelijke waarde ervan." (Cass., 1 juni